Hoe de Olympische Spelen van 1928 naar Hilversum kwamen

In 1928 organiseerde Amsterdam de Olympische Spelen. Maar ja, hei en bos zijn in de hoofdstad ver te zoeken. En hoe doe je dat dan met een paardenrace waar 20 kilometer onverharde grond voor nodig is? Precies, dan wijk je uit naar Hilversum. En zo kwam het dat Hilversum in 1928 veranderde in een Olympisch dorp! Daar was de gemeente in de eerste instantie niet eens zo blij mee…

Zoveel mogelijk op één locatieRenbaan

Volgens de regels van het Internationaal Olympisch Comité moesten de wedstrijden van de spelen zoveel mogelijk op één locatie plaatsvinden: Amsterdam dus. Dat lukte aardig, maar voor sommige onderdelen was Amsterdam niet geschikt. Voor de uithoudingsproef van de samengestelde ruiterwedstrijden was bijvoorbeeld een parcours nodig van ruim 20 kilometer aan onverharde wegen. Een terrein met natuurlijke hindernissen was vereist voor de cross country en de steeple chase vroeg om een renbaan. Daarnaast hadden ook de vijfkampers een afwisselend terrein nodig met een lengte van 4000 m voor het onderdeel veldloop. De weilanden rond Amsterdam waren daarvoor niet geschikt, dus moest men uitwijken naar zandgronden met bos en heidevelden.

Uitwijken naar Hilversum

Het Nederlands Olympisch Comité legde de verantwoordelijkheid van het programma van de ruiterwedstrijden bij de Nederlandse Hippische Sportbond(NHS), waar Quarles van Ufford voorzitter was. In zijn zoektocht naar een geschikt locatie kwam hij al snel uit in Hilversum. Hier was een paar jaar eerder al een voor die tijd hypermodern Sportpark gebouwd. Bovendien werd het Sportpark geleid door een enthousiaste directeur: L.C. van Lookeren Campagne. Een andere belangrijke troef van Hilversum was dat de omgeving zeer geschikt was voor de onderdelen cross country en de uithoudingsproef. Al in de herfst van 1925 was er contact tussen de twee heren.

Gemeente niet enthousiast

Van Lookeren was dus meteen enthousiast, maar het college van B&W van Hilversum stond niet meteen te springen om van Hilversum een olympisch dorp te maken. Uiteindelijk zou het tot 28 december 1927 duren tot B&W overstag ging in een gesprek op het hoogste niveau. Toenmalig burgemeester Reymer zat die vergadering voor. Wethouder Lopes Dias, met ‘de bedrijven’ in zijn portefeuille, deed de verdediging van de Hilversumse belangen Aan de andere kant zaten NOC-voorzitter Schimmelpenninck aanwezig en namens de Hippische Sportbond C.F. Kellenbach. Het grote struikelblok was dat gemeente Hilversum ƒ 200, - per dag voor het Sportpark, dertig procent van de ontvangen entreegelden en ƒ 9000, - voor het opzetten en inrichten van de paardenstallen vroeg. NOC en NHS vonden dit veel te duur. Toen Lopes Dias zei dat hij B&W er wel toe kon brengen om de eis van dertig procent van de recettes te laten vallen, brak het ijs en kwamen de twee partijen tot een overeenkomst.

Huisvesten 150 paarden

Het gevolg was dat Hilversum naar schatting 150 paarden, evenveel oppassers en 200 ruiters en officials moest huisvesten en dat gedurende twee tot drie weken. Omdat Hilversum in die jaren nog een veel bezocht vakantieoord was, was het onderbrengen van de mensen niet zo’n probleem. Maar waar moesten al die paarden heen? Een deel van de paarden kon in Hilversum staan en de nog ontbrekende stalruimte voor de paarden werd in ’s-Graveland gevonden.

Twee keer goud, één keer brons

In augustus 1928 was het dan zover. Het programma voor de hippische spelen in Hilversum was als volgt: Dressuurproef en -wedstrijden op 9, 10, 11 augustus in het Sportpark. De cross country met steeple chase op vrijdag 10 augustus. Op 13 augustus werd een slotfeest georganiseerd door het gemeentebestuur en aansluitend op dinsdag 14 augustus was de start van het internationale concours hippique. De wedstrijden leverden Nederland twee gouden en een bronzen medaille op en waren daarmee een succes. Ook voor de gemeente was het evenement een groot succes, want tot vier keer toe mocht men de Koninklijke familie of leden ervan in Hilversum verwelkomen in het dorp. Elke keer liep de bevolking massaal uit. Zelfs de ontvangen entreegelden van het Sportpark vielen bijna ƒ 3000, - hoger uit dan verwacht.