De Trompenberg: Van herstellingsoord tot villawijk

Je zou het nu niet meer verwachten, maar vroeger ging je naar de Trompenberg als je ziek zwak en misselijk was, in plaats van rijk. Want waarom herstellen in Zwitserland als het ook om de hoek kan? Dat was het idee. Maar uiteindelijk werd De Trompenberg één van de deftigste wijken van ons land. En hoewel er nog steeds prachtige villa’s staan, is er nog maar weinig over van de pracht en praal uit de hoogtijdagen van de wijk. Hoe is dat zo gekomen?

Villa Ostwalt

Begin 1874 besloot de geneeskundige raad van Noord-Holland dat er een herstellingsoord moet komen in de provincie. In die tijd gingen zieken vaak naar verre kuuroorden in bijvoorbeeld Zwitserland en Frankrijk om te herstellen. In de zoektocht naar een plek met een ‘heilzaam luchtgenot’ kwam men in Hilversum uit op de plek die nu De Trompenberg is. Het ‘hooggelegen’ gebied (27 meter boven de zeespiegel) was onbebouwd en was omgeven door dennenbossen. Aan schone lucht geen gebrek. Een jaar later richtte de raad de N.V. Herstellingsoord De Trompenberg op. De N.V. kocht het terrein met een oppervlakte van 38 hectare voor 40.000 gulden van de invloedrijke notaris Albertus Perk.

Kuuroord of hotel?

Het gebied kreeg een inrichting volgens Engelse landschapsstijl met gebogen wegen en onverwachte uitzichten. Op het hoogste punt kwam een paviljoen met later een buitensociëteit. Na de overname van de sociëteit door Het Hof van Holland kreeg het de naam ‘Kurhaus Trompenberg’, maar een kuuroord zou het nooit worden. Het was een hotel met twintig kamers waar de gasten tot rust konden komen en genieten van de frisse lucht. Het Kurhaus telde maar één badkamer. In de tuin lagen tennisbanen en er stond een theekoepel waarvandaan men een prachtig uitzicht had. De koepelweg dankt zijn naam aan deze theekoepel. Lager op de Trompenberg aan de Tromplaan kwam Pension De Trompenberg. In het pension logeerden veel gasten met medische aandoeningen.

Rijke Amsterdammers

Het doel van de N.V. was ‘het stichten van een herstellingsoord, door het aanleggen van terreinen, de aanbouw en de bevordering van aanbouw van hygiënisch goed ingerigte logementen, pensions, villa’s en andere inrigtingen’, maar in de praktijk was het meer een projectontwikkelaar. Met het kurhaus, het paviljoen en het pension, was maar een klein gedeelte van de grond in gebruik. De rest van de grond werd verdeeld in kavels en uitgegeven aan particulieren die daar hun villa’s lieten bouwen. Dit waren vooral rijke Amsterdammers. De N.V. stelde overigens wel strenge eisen. De tekeningen en bestekken van de te bouwen huizen moesten vooraf worden goedgekeurd. Zo ontstond tussen 1880-1900 op de Hilversumse Trompenberg een villapark dat tot de fraaiste en meest luxueuze van Nederland behoorde.

Wat is er nog te zien?

De percelen aan de zuidkant van de wijk, tussen de Tromplaan en de Bussumergrintweg, waren het kleinst in omvang. Veel van de fraaie witte villa’s daar kunnen nog steeds worden bewonderd. Meer naar het noorden, richting Spanderswoud, werden de stukken grond en de huizen die daar kwamen groter. Helaas zijn maar enkele van die landhuizen bewaard gebleven. Na de economische crisis van 1929 kwamen veel huizen leeg te staan en zijn er veel gesloopt. Ook door de woningnood in de jaren ’70 sneuvelden veel landhuizen. Burgemeester en wethouders lieten voor hun woningbouwplannen het oog vallen op de villawijken, omdat de beschermde natuurgebieden aan de rand van de stad de mogelijkheden beperkten. Gelukkig valt er nog wel iets te zien. Zo is er Villa Berkheide aan de Van Hengellaan 2, één van de oudst overgebleven villa’s in de Trompenberg. En voor een echt goede indruk van hoe de Trompenberg er begin vorige eeuw uitzag, kunt u een kijkje nemen bij Villa ‘Ostwalt’ op Witte Kruislaan 6 met zijn oprijlaan en uitgestrekte tuin.