De oorlog van mijn ouders

24 februari 2022. Nederland maakt zich op voor de volgende ronde van versoepelingen. De anderhalve meter maatschappij, het mondkapje, de QR-code, de avondklok – vanaf morgen zullen ze tot het verleden behoren. Nederland gaat van het slot, zo heet het. Nederland wordt weer gewoon, vrij. Wij worden weer vrij.

Op deze zelfde 24 februari, elders in Europa, neemt de geschiedenis een onverwachte afslag. Oorlog in Oekraïne. Lange pelotons van Russische tanks en trucks die zich als naaktslakken door de befaamde zwarte aarde van Europa slepen, op weg naar de bewoonde wereld. Daar, met het vizier op scherp, barst het vuur los. Sirenes, schuilkelders. Kapotgeschoten kerken, een theater vol kinderen. Brandende binnensteden. Rennende, gillende, huilende mensen. Honderden, duizenden, miljoenen op de vlucht. De beelden buitelen de kamer binnen.

Mijn een na oudste zusje stuurt mij een tekstbericht. “Ik heb vaak aan papa en mama moeten denken,” begint ze, “en ik ben blij dat ze dit niet opnieuw hoeven mee te maken.” Niet opnieuw. Ik hoef het hier in deze zaal waarschijnlijk niet uit te leggen, maar daarmee doelt mijn zusje op de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezettingstijd. De verhalen uit Oekraïne werpen ons terug in de tijd, de gruwelbeelden uit hun oorlogsgebied wekken de gruwelbeelden uit onze collectieve herinnering. Levende herinneringen voor de oudsten in deze zaal. Bepalende herinneringen ook voor mijn vader en mijn moeder.

Mijn ouders waren allebei nog jong toen de Duitse bezetting in mei 1940 begon. Mijn vader is geboren in 1932, in Bandung, Nederlands-Indië. Zijn moeder trouwde met de handschoen, zoals dat heette, met een knappe en sportieve KNIL-vlieger. Een durfal, in de herinnering van mijn grootmoeder, die in 1939 opgeroepen werd om naar Nederland te verhuizen voor een rol in de verdediging van ons luchtruim. Op 10 mei 1940 werd hij door Duitse jagers neergehaald, vlakbij Rotterdam. Mijn grootvader was een van de gevallenen uit de meidagen van 1940.

Half verweesd, nog maar amper zeven jaar oud, een goudbruine “pinda” in een koud kikkerland, enig kind met een van verdriet gebroken moeder – zo begon voor mijn vader de Duitse bezetting.

Mijn vader vertelde vaak over de oorlog in zijn woonplaats Amsterdam. De Joodse buren die op een dag verdwenen waren. De gefusilleerde verzetsstrijders die op straat moesten blijven liggen, ter afschrikking – onvermijdelijk denk ik aan Bucha. De verzetskrantjes die hij voor zijn moeder rondbracht, verstopt onder een dekentje in zijn bolderkarretje. De nog bebloede pyjama van een gevangen genomen en gemartelde neef die thuis werd afgegeven door een “foute” Nederlandse politieagent – nog zie ik de woede in de ogen van mijn vader. Het verdriet om al dat verlies van dierbaren, maar ook om het verlies van zijn geboortegrond. Indië werd Indonesië en mijn vader werd geen theeplanter in de tropen maar veearts op het Sallandse platteland. Zijn hele leven heeft mijn vader gezocht naar verklaringen voor dit leed. Tot op hoge leeftijd las hij alles wat los en vast zat over de oorlog.

Ook in het leven van mijn moeder was de oorlog vormend. Anders, maar evengoed. Mijn moeder was net negen toen de oorlog uitbrak. Zij woonde met haar jongere zusje en ouders in Schiedam. Het bombardement op Rotterdam maakte mijn moeder van heel dichtbij mee: het geloei van de sirenes en het gebrom van de laag overvliegende bommenwerpers; de rood verlichte horizon, de torenhoge rookpluimen en het as dat in Schiedam naar beneden dwarrelde. Ik moest er weer aan denken toen Volodymyr Zelensky het had over “de schaduw van de ruïnes van Rotterdam”, in Marioepol, Kiev, Charkov.

Mijn moeder sprak met liefde over koningin Wilhelmina op Radio Oranje – ze bleef haar leven lang een fan van ons vorstenhuis. Zij vertelde me ook over de NSB-leraren die werden gepest en gehaat. Maar bovenal herinnerde mijn moeder zich de ontberingen ten tijde van die laatste Oorlogswinter: het kleine houtkacheltje – het duveltje - waarop haar moeder kookte; de voedseltochten van haar vader naar het oosten; haar zusje met hongeroedeem; de verlichting van de kleine huiskamer met een fietsdynamo. Een glimlach van oor tot oor als zij sprak over de bevrijding. Oma die nog met de krulspelden in het haar boven een teiltje met water hing toen mijn moeder de kamer binnenstormde om te vertellen dat ze bevrijd waren. En veruit de meest favoriete herinnering van mijn moeder: het Zweedse wittebrood. “Net cake,” zei ze dan.

Is dat de reden dat mijn moeder jarenlang in het weekeinde zo graag bakte, en bij voorkeur cake? En nooit eten weggooide, er desnoods de schimmel vanaf schraapte? Honger, leerde zij ons, bestaat niet. Niet meer. Wij naoorlogse kinderen hadden hooguit trek.

Oorlog is grote mensen werk, maar het slaat kinderen niet over.

In mijn onderzoek naar Hilversum in oorlogstijd heb ik vaak aan mijn ouders moeten denken. Meer dan in elk ander onderzoek kwam ik met dit onderzoek in de kinderjaren van mijn ouders. Net als in het Schiedam van mijn moeder en het Amsterdam van mijn vader, kwam de Duitse aanval voor Hilversumse jongeren als een schrok. ‘Oorverdovend’, zo klonk de Duitse luchtaanval voor de Hilversumse HBS-scholiere Meta van Groenewegen. ‘Het was een rare boel,’ noteerde haar leeftijdgenootje Annatje Rutgers van der Loef. Die dag bleef haar vader, leraar natuurkunde aan het gymnasium, thuis. Alle scholen bleven dicht. Kinderen bleven dichtbij huis, of hielpen in de Luchtbeschermingsdienst, zoals Martin Rodrigues Pereira, zoon van collega-leraar oude talen.

De Duitse overheersing die na vijf dagen strijd volgde – en uiteindelijk vijf jaren zou duren - werd ook in Hilversum voor kinderen direct zichtbaar, met de komst van vreemde mannen, in vreemde uniformen. Vrijwel onmiddellijk begonnen de inkwartieringen. In het huis van Annatje, aan de Sterrelaan, woonden enige tijd twee Duitse militairen op zolder. Zelfs in het huis van Martin gebeurde dat – kennelijk vond de Wehrmacht het niet bezwaarlijk dat dit een Joods huishouden was en dat twee van haar soldaten nota bene bij de rabbijn van de Sefardische gemeente van Den Haag werden ondergebracht.

Ook buitenshuis, op straat in Hilversum, was de Duitse overheersing niet te ontkennen. Al in het najaar van 1940, nog maar een paar maanden na de inval, schreef Meta van Groenewegen in haar dagboek dat ze op straat “haast struikelde” over de Duitsers. Dat zou alleen maar erger worden. Hilversum bleef gedurende vijf jaren een van de knooppunten van de bezetter. Eerst was er de komst van de Duitse Weermachtbevelhebber en zijn staf, in april 1942. Het raadhuis werd gevorderd, evenals een honderdtal andere grote panden in de gemeente. Daarna volgden er nog veel meer Duitse eenheden. In de zomer van 1944, toen de Duitse hegemonie in Europa aan het wankelen was gebracht, besloot de Weermacht dat het tijd was zich te verschansen. De keuze viel op Hilversum. De Trompenberg werd een militair hoofdkwartier, ontruimd en afgesloten voor Hilversumse burgers. Met tankgrachten en tankwallen, torens, afweergeschut, wegversperringen, mitrailleursnesten veranderde de gemeente in oorlogsgebied.  

Het gevaar kwam vooralsnog niet over land, maar uit de lucht, en dan weer voornamelijk van eigen – dus Duits - afweergeschut. Blindgangers, scherven en stukken blik, afgeschoten granaten, delen van neergehaalde vliegtuigen. Soms was er het onheilspellende gefluit van een Duitse onbemande raket, een V1, die neerstortte in de gemeente. Een paar keren – en die paar keren waren ernstig – was er een gericht geallieerd bombardement – zoals dat op 29 december 1944 en 20 maart 1945.

Dit alles maakte de bezetting en de dreiging die daarvanuit ging voor de Hilversumse jeugd heel reëel. Voor hen woog het extra zwaar dat voor de huisvesting van die Duitse troepen gebouwen nodig waren. In het kalenderjaar 1942 waren 12 scholen gevorderd, een jaar later waren dat er maar liefst 25. De orde, rust en regelmaat van het schoolleven vielen voor veel jongeren in Hilversum weg. Ook de HBS van Meta en het gymnasium van de vaders van Annatje en Martin sloten in 1943 hun deuren.

Hier wil ik overigens wel aan toevoegen dat sommige Hilversumse scholen, en dan met name die twee laatst genoemde, de HBS en het gymnasium, ook toen zij open waren, nou niet bepaald het toonbeeld van orde, rust en regelmaat waren. Integendeel, het was juist op het schoolplein en in de gangen van scholen dat de Hilversumse jeugd de confrontatie zocht. Dat gebeurde vooral in 1941.

Meta van Groenewegen noemt in haar dagboek verschillende momenten waarop leerlingen van de HBS openlijk de nieuwe gezaghebbers provoceerden, door bijvoorbeeld wortels en mandarijntjes mee naar school te nemen op verjaardagen van de prinsesjes van Oranje. Een politierapport vermeldt dat jongens van haar HBS, misschien wel klasgenoten, op een middag met hockeysticks jongens van de nationaalsocialistische Jeugdstorm achterna zaten. Het hockeystick- en vergelijkbare incidenten zouden uiteindelijk leiden tot het ontslag van het hoofd van de school, schoolsluiting voor drie dagen en de waarschuwing dat bij herhaling de HBS voorgoed haar deuren zou moeten sluiten.

Toch weerhielden dergelijke sancties wat oudere scholieren op het gymnasium er niet nog eens dat jaar een openlijk protest te laten horen: ditmaal ging het concreet om de verwijdering van Joodse medeleerlingen van de school, direct na de zomervakantie. De twaalf leden van de Hilversumse gymnasiastenbond schreven een protestbrief. “Wij kunnen niet langer zwijgen” was de essentie. In het politieonderzoek dat direct na verzending werd opgestart, deelden maar liefst 33 van de 61 leerlingen van de 5e en 6e klas van het gymnasium de verantwoordelijkheid. Allen werden voor maanden geschorst.

Het protest had op de Jodenvervolging in de gemeente geen invloed. Dat kende na de verwijdering van Joodse scholieren een volgend dieptepunt in januari 1942, toen een eerste groep van Joden werd gesommeerd de gemeente te verlaten. Zij gingen naar Westerbork, daarop volgende groepen veelal naar Amsterdam waar zij gedwongen hun intrek namen bij vrienden, of, als die er niet waren, volslagen onbekenden. Martin Rodrigues Pereira had met zijn familie Hilversum in mei 1942 moeten verlaten, net als zijn leeftijdgenootje Triesje Nunes Cardozo, de dochter van een hoge ambtenaar van de distributiedienst in Hilversum. “Ik maakte de exodus op het station mee,” deed Meta van Groenewegen in haar dagboek verslag: “Vreselijk was het met al die wuivende snikkende achterblijvers op het station, al die wanhopende mensen in de trein.” Martin vluchtte met zijn ouders, broer en drie zussen naar Zuid-Amerika en reisde vandaar via Canada en Engeland uiteindelijk terug naar bevrijd Nederland. Het hele gezin overleefde. Triesje Nunes Cardozo was in haar zeskoppige gezin de enige. Haar onderduikouders hadden het achtjarig meisje verborgen weten te houden, voor de meeste tijd in een krappe ruimte achter een voorzetwandje.

“Hoe langer hoe meer komt er een opstandige geest” had Meta van Groenewegen al na een paar maanden bezetting geconstateerd, maar het antwoord van de autoriteiten liet ook zien dat openlijk protest zwaar werd bestraft. Daarom kozen velen na verloop van tijd niet meer voor openlijk protest, maar voor “heimelijk verzet”. In dat verzet hadden Hilversumse jongeren een belangrijk aandeel. Meta deed koerierswerk; een andere HBS’er, Rob Korpershoek, begon met het bekladden van wegen en gebouwen met pro-Engelse, anti-Duitse leuzen toen hij 16 was. Bob de Geus was amper een jaar ouder toen hij de eerste banden van Wehrmacht-wagens lek prikte en telefoonkabels doorsneed. Hij werd een spil in het latere spionagewerk in Hilversum. En zoals zij waren er velen.

In de Hilversumse bezettingsgeschiedenis is dit misschien wel een van de opvallendste fenomenen: jongeren, scholieren nog, die op enkele belangrijke momenten van openlijk protest tegen de nieuwe machthebbers het voortouw namen, en jongeren die belangrijk bijdroegen aan het georganiseerde, ondergrondse verzet. Waar in de universiteitssteden als Delft en Leiden studenten vaak de motor achter protesten en verzetsdaden waren, was die rol in Hilversum heel duidelijk voor de bovenbouw van middelbare scholen weggelegd. Oorlog maakte hier snel volwassen.

Dat gebeurde met jongeren in het verzet, maar eigenlijk was dit een veel bredere ontwikkeling die uiteindelijk nagenoeg alle jongeren in Hilversum betrof - vooral in de laatste fase van de Duitse overheersing. De jeugd van deze gemeente werd toen hardhandig naar volwassenheid geduwd door de meedogenloze jacht van de bezetter op arbeidskrachten – volwassen mannen - ten behoeve van de Duitse oorlogsindustrie. Vaders vielen weg als kostverdieners: oudere broers verdwenen uit beeld. Jongere familieleden – kinderen nog - namen hun plaatsen in.

Zij, die jongere familieleden en hun moeders, stonden voor een enorme uitdaging, toen langzaam maar zeker in Hilversum de schaarste nijpend werd. Bij een eerdere gelegenheid heeft Pieter Broertjes op deze plaats al eens stilgestaan bij de hongerwinter in Hilversum. Het moet nog maar eens worden gezegd dat dat voor een deel te maken had met de hardnekkige misvatting in Den Haag dat ‘t Gooi – met daarin Hilversum – een plattelands- en productieregio was. Die misvatting zorgde er jarenlang voor dat het Gooi minder voedsel kreeg toebedeeld dan andere stedelijke gebieden. In de zomer van 1944 was men hier in Hilversum door alle voorraden heen. Levensmiddelen waren amper meer te vinden. Doordat er geen gas of stroom meer werd geleverd en er ook geen brandstoffen meer voorhanden waren, was de bereiding van voedsel trouwens ook moeilijk geworden. In deze context werd hout goud.   

Er stonden straffen op, maar kinderen, zoals Annatje Rutgers van der Loef, werden er op uitgestuurd om hout te hakken – het duveltje dat mijn moeder zich zo goed herinnerde stond ook in het huis van Annatje. Annatje had wat verder in die verschrikkelijke winter het geluk dat zij meekon met een kindertransport naar Friesland, waar ze in het huishouden van de dominee van IJsbrechtum kon aansterken op een dieet van pap en dik besmeerde boterhammen. Andere kinderen in Hilversum hadden dat geluk niet. Simon de Birk was net 15 toen hij op een koude wintermorgen zijn ouderlijk huis aan de Erfgooiersstraat verliet, klaar voor een helse fietstocht over de IJssel. Simon kon uiteindelijk in Dalfsen en Ommen tegen betaling aardappels scheppen. Een sneeuwstorm hield hem dagen op, maar uiteindelijk kwam hij met de buit en heelhuids terug. Het overleven van een heel gezin hing af van een jongen van 15.

Voor hem, als voor duizenden andere Hilversumse jongeren, kwamen de voedseldroppingen van 4 mei 1945 geen dag te vroeg. “Duizenden juichten, zwaaiden met zakdoeken, vrouwen lieten vreugdetranen de vrije loop,” schreef De Gooische Koerier. Simon de Birk was met vriendjes uit de Erfgooiersbuurt naar de Crailose Heide gehold om de vliegtuigen te zien. Uren later doolde hij nog rond over de heide, met in zijn hand een lepel als wapen - om biscuitkruimels en suikerkorrels uit de bij de val opengebarsten pakketten van de grond te schrapen. Toen ik hem interviewde in 2017, stond er als vanzelfsprekend wat lekkers op tafel.

Daarmee ben ik weer terug bij mijn cake bakkende moeder, net als mijn vader een leeftijdgenootje van Simon, van Annatje, van Martin, van Meta en van al die naamloze kinderen van Hilversum. De generatie die het heeft meegemaakt, oorlog. We zien het in het landschap van hun herinneringen, we zien het in de gezichten van de gevluchte kinderen uit Oekraïne: oorlog trekt diepe groeven.

Lang zullen de laatste ooggetuigen van “onze” oorlog niet meer bij ons zijn. Voor mij is het dit jaar voor het eerst Dodenherdenking zonder mijn ouders. Het is aan mij hun verhalen door te geven; het is aan ons allen vandaag ook stil te staan bij deze laatste oorlogsgeneratie. Bij al die kinderen, die misschien de oorlog wel overleven, maar hem nooit helemaal kwijtraken. Juist nu.