Toespraak Pieter Broertjes 4 mei 2021

Toespraak 4 mei 2021 van Pieter Broertjes, burgemeester van Hilversum. Uitgesproken door wethouder Arno Scheepers tijdens de herdenkingsbijeenkomst op de Noorderbegraafplaats om 15.30.

Na 75 jaar vrijheid

In het dagboekje van mijn moeder staat op 7 mei 1945 geschreven: “Intocht der geallieerden. Dolle vreugde. Hele dag in het dorp. Half zes thuis. Het ontzettende bericht: Ies in Utrecht gesneuveld. God wat erg. Geen woorden voor. Zal nooit vergeten. Zo onbeschrijfelijk erg.”

De dag dat Hilversum werd bevrijd door de Engelsen, speelde zich een familiedrama af in huize Wessel aan de Oude Enghweg. De enige broer van mijn moeder, de 25 jarige Ies Wessel, rechtenstudent en lid van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS), was ’s morgens vroeg in Utrecht doodgeschoten door een groepje Duitse soldaten dat bezig was Utrecht te verlaten. Tien van de twaalf jongens waren op slag dood; twee overleefden het. Hun opdracht was het huis van NSB-leider Mussert, tegenover het Rosarium, te bezetten. De waarschuwing van prins Bernhard om in paniek geraakte Duitsers niet te ontwapenen, kwam voor hen te laat.

Voor het gezin Wessel was de bevrijding over. De dag die zo mooi begon – mijn moeder (23 jaar) had speciaal een blauw rokje aangedaan, een wit bloesje en een rood vestje – eindigde in diepe ellende. Districtscommandant van de BS, overste Schrek, tekent in zijn dagboek op: “Onze huisarts, dokter Wessel, kwam met zijn dochter bij me om te vertellen dat zijn enige zoon Ies in Utrecht het leven had gelaten. De arme man was in een nacht oud geworden. Toen we de volgende dag de jonge Wessel naar zijn laatste rustplaats brachten was het verdriet van zijn ouders zeer aangrijpend. Nooit in mijn leven maakte ik een begrafenis mee die zoveel leed te zien gaf.”

Het bevrijdingsjaar verliep op veel plaatsen in Nederland zeer chaotisch. Er waren in de meidagen van 1945 nog tal van schietpartijen. Niet alleen op de Dam, waar 32 mensen omkwamen, maar ook in Amersfoort, Zoetermeer, Leersum en bij het Rosarium in Utrecht. In haar recente boek ‘Een wrang feest’ komt Marjolein Bax tot de conclusie dat ongeveer tweehonderd mensen de dagen van de bevrijding niet overleefden. Voor hun nabestaanden is Bevrijdingsdag nooit een dag geweest om feest te vieren. Mijn opa en oma Wessel vierden ook nooit meer 5 mei. Alleen 4 mei werd herdacht met de vlag halfstok.

Vrijdag 4 mei en zaterdag 5 mei heerste er grote verwarring bij de Hilversumse bevolking. Op 4 mei puilde de Groest uit. Er werden overal vlaggetjes verkocht. Er heerste een opgewekte stemming. Toch gaan er geruchten dat er nog gevochten wordt. NSB’ers die opgepakt waren, moeten weer worden vrijgelaten. Op de Gijsbrecht gooit een Duitse soldaat – nadat er enkele woorden waren gevallen - een handgranaat naar Bertus van der Valk en zijn vriendin. Beiden raken ernstig gewond, maar overleven de oorlog.
Was er te vroeg gejuicht?

Els Kok-Kolman schrijft in haar dagboek op 5 mei: “Gisteravond om 9 uur kwam het bericht dat we ‘vrij’ waren: Nederland, Denemarken en Noord-West Duitsland hadden gecapituleerd. Het was om nooit te vergeten en ik kan ook niet beschrijven wat we voelden. We zijn meteen met de kinderen en onze buren naar het centrum van Hilversum getogen en daar was het een joelende, hossende bende. Overal Oranje en vuurwerk. De feestvreugde was in volle gang. Als er een moffenauto passeerde ging er een gehuil op.”

Zondag 6 mei regent het pijpenstelen. De sfeer is gespannen. Het bericht gaat de ronde dat generaal Blaskowitz uit zijn bunker in Hilversum is opgehaald om in Wageningen de vrede te tekenen. De stemming kantelt; er worden weer vlaggen opgehangen. Vliegtuigen werpen meer voedselpakketten uit dan de afgelopen dagen. De voedselnood is gigantisch.

Anna Boekschoten-van Pesch noteert in haar dagboek: “Toch feest. De capitulatie is een feit. Overal hangen weer vlaggen. Toch lopen er nog gewapende moffen rond. We zijn wat wantrouwend geworden. Het Canadese eerste leger komt Noord-Holland bezetten.”

Maandag 7 mei is D-day voor Hilversum.
Rond half twaalf rijdt het verkenningsbataljon van de 49 ste Britse West Riding  Infanteriedivisie - de beroemde Polar Bears - de Emmastraat binnen. Op de voet gevolgd door het 1 e Canadese Legerkorps onder leiding van generaal Foulkes. Overste Schrek van de BS spreekt de bevrijders toe vanaf het bordes van Hotel Gooiland.
Het is die 7e mei ook bijltjesdag. Knokploegen arresteren NSB’ers en anderen die van landverraad worden verdacht.  De haatgevoelens zijn groot. Anna Boekschoten schrijft: “Meisjes die met de Duitsers gelopen hebben, worden de haren pardoes afgeknipt.”
Hilversum biedt in die dagen een verwaarloosde en troosteloze aanblik. Vijf jaar oorlog heeft z’n tol geëist: de bossen zijn opgestookt, het gas, het brood, de elektriciteit… alles is op.
Het zijn de verhalen van toen die ertoe doen. Elk jaar weer.

‘Kom vanavond met verhalen
Hoe de oorlog is verdwenen
En herhaal ze honderd malen
Alle malen zal ik wenen.’

Met dit prachtige gedicht ‘Vrede’ van Leo Vroman begint prinses Mabel haar essay dat zij vorig jaar speciaal schreef op verzoek van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Zij vraagt zich af of het nog nodig is om 75 jaar na de bevrijding van Nederland onze vrijheid ieder jaar opnieuw te vieren. Haar antwoord is volmondig Ja. Vrede en vrijheid zijn niet vanzelfsprekend. “Onze vrijheid, onze democratie, onze rechtsstaat en onze vrije pers lijken zo normaal, maar zijn dat allerminst. Ze zijn fragiel en vergen daarom dagelijks onderhoud – door ons als collectief en door ieder van ons als individu.”

We moeten, zegt Mabel, ons uitspreken tegen intolerantie en haat. Want hoe kun je gelukkig zijn als jouw geluk ten koste gaat van het geluk van anderen? Hoe kan een mens werkelijk vrij zijn als de ander dat niet is? Ware vrijheid verbindt. Vrijheid is niet gebouwd op grote, mooie woorden, maar komt tot stand door kleine concrete daden.

Mabel: “Daden in ons eigen huis, onze eigen levens. Daden om conflicten – groot of klein – te voorkomen. Daden om onrecht, ongelijkheid en onderdrukking uit te bannen.” Die daden vormen volgens haar de basis voor nieuwe verhalen. Verhalen die ons verbinden.

Wie had kunnen denken dat Nederland sinds maart vorig jaar in de grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog is terechtgekomen. Na 75 jaar vrijheid heeft de uitbraak van Covid 19 de verhouding tussen individuele vrijheid en veiligheid op scherp gezet. En niet zo’n klein beetje ook. Al ruim een jaar dringt de crisis op wereldschaal tot in elk detail van ons dagelijks leven door. De beperkingen – tot zelfs een avondklok – zijn voor de naoorlogse generatie de eerste grootschalige confrontatie met vrijheidsbeperking.


Daan Roovers, Denker des Vaderlands en filosofe, schrijft in haar essay dit jaar dat vrijheid diep verankerd zit in onze identiteit. Het doel van de politiek is volgens haar – in navolging van Spinoza – dat burgers in veiligheid en vrijheid kunnen leven: het doel van de staat is vrijheid. De coronacrisis doet een sterk beroep op ons uithoudingsvermogen en begint zijn tol te eisen.

Roovers waarschuwt ook voor ongewenste bijeffecten van de coronacrisis. Mensen mogen de hele dag van mening met elkaar verschillen, maar die vrijheid is niet vanzelfsprekend en zeker niet onbegrensd. Voor een vrije samenleving zoals de onze, is het hebben van gelijke kansen een van de belangrijkste pijlers. “Prioriteit voor de komende tijd is dat het gat dat de afgelopen maanden is geslagen de bestaande ongelijkheid niet vergoot. Dat is de uiteindelijke test voor de weerbaarheid van onze democratie.”

Dat vrijheid maar beperkt maakbaar is en dus uitermate kwetsbaar, is ook te lezen in het boek ‘Een stad op drift; Hilversum in de Tweede Wereldoorlog’, geschreven door de Utrechtse historica Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel.

In zes kloeke hoofdstukken schrijft Von Frijtag over de onbalans in Hilversum in de jaren ’40-’45 en over de totaal ontspoorde samenleving aan het einde van de oorlog. De kracht van het boek zijn de verhalen over het dagelijks leven van Hilversummers, over hoe hun gemeente toen werd bestuurd en het sociale leven zich ontwikkelde en hoe zij de hongerwinter dankzij grote saamhorigheid hebben doorstaan.

In alle opzichten springt de oorlogsgeschiedenis van Hilversum eruit. Met maar liefst drie foute burgemeesters in oorlogstijd, met een bijzondere belangstelling van de Duitse autoriteiten - in Hilversum was de Wehrmacht gelegerd - en met een geslaagde Februaristaking in het voorjaar van 1941.
In het boek wordt ook beschreven hoe radicaal en meedogenloos de Jodenvervolging in Hilversum werd aangepakt: van de ruim 2400 Joden die Hilversum aan het begin van de oorlog telde, waren er na vijf jaar vervolging nog slechts 200 in leven. Meer dan 90 procent werd via Westerbork naar verschillende vernietigingskampen weggevoerd en vervolgens vermoord. Reeds in de loop van 1942 waren de nazi’s in hun gruwelijke missie geslaagd. Een beschamend nationaal record: landelijk overleefde een kwart van de Joden de Holocaust.

Het was oud-journalist André Roelofs, die de eerste Bill Mincolezing uitsprak op 4 mei 2012, die een scherp pleidooi hield voor een nieuwe studie over Hilversum in oorlogstijd ‘van binnenuit’. Hij woonde met zijn moeder in de Staringlaan en maakte de oorlog mee als jonge jongen (10 tot 15 jaar). Het was een worsteling de oorlog te overleven. Nederlanders zijn niet sterk in het herdenken van hun geschiedenis, zo stelde hij, oud-burgemeester Ernst Bakker citerend.

In het museum op de Kerkbrink komt de bezoeker van alles te weten over de tapijtindustrie en de omroepen, “maar geen Duitse soldaat zette ooit een voet op Hilversumse gemeentegrond, zo lijkt het.” Hij hoopte vurig dat deze leemte zou worden hersteld. Want een land dat in het duister tast over zijn geschiedenis, vindt ook zijn weg in de toekomst niet, aldus Roelofs, die helaas het resultaat van zijn oproep niet meer meemaakt. Hij stierf enkele jaren geleden. “Hilversum hoeft zich niet te schamen over wat het deed. En voor zover dit wel het geval zou zijn, hoort ook dat uitgesproken te worden”, aldus Roelofs in zijn Bill Minco-lezing in 2012.

Dames en Heren,

Het was premier Mark Rutte die vorig jaar tijdens de Nationale Holocaust Herdenking in het Wertheim plantsoen in Amsterdam excuses aanbood voor het falende overheidshandelen ten tijde van de jodenvervolging. Letterlijk zei hij: “Toen het gezag een bedreiging werd, zijn onze overheidsinstanties tekortgeschoten, als hoeders van recht en veiligheid.” Volgens Rutte werden de bittere consequenties van registratie en deportatie onvoldoende onderkend.

Publieke excuses kunnen helend zijn voor een samenleving. Het betekent niet dat de moedige daden van degenen die aan de goede kant stonden opeens niet meer tellen. Integendeel. In Hilversum hebben velen zich verzet tegen het nazibewind en de bezetter het leven zuur gemaakt (verzetsgroep U61).

In het boek ‘De stad op drift’ staan vele voorbeelden van ‘meegaandheid’ en van bruut optreden tegen Joden. Ook hier is de lokale overheid tekortgeschoten als hoeder van recht en veiligheid.

Drie van mijn voorgangers hebben in de oorlogsjaren een zeer kwalijke rol gespeeld en waren heel bepalend in de mate waarin politiek en bestuur meewerkten met de Duitsers. Anderen deden – zo dachten ze – gewoon hun werk zonder ook maar enige sympathie te hebben met de nazi’s. Verzet plegen vroeg om persoonlijke moed, een sterk moreel kompas en ambtelijke ongehoorzaamheid. Nederland was voor de oorlog nogal gezagsgetrouw en in een verzuilde samenleving was solidariteit tussen de verschillende bevolkingsgroepen zwak ontwikkeld.


Ik vind het gepast om namens het college en de raad van Hilversum vol overtuiging mijn excuses aan te bieden voor het overheidshandelen van toen.
De bestuurders van nu vervullen dezelfde bestuurlijke functies als de bestuurders van toen. We hebben hier met elkaar over gesproken. Toen traden die bestuurders op namens de gemeente Hilversum, nu treden wij op namens de gemeente Hilversum. Ondanks het verstrijken van de jaren doet het ertoe hoe wij aankijken tegen de geschiedenis.

Als vertegenwoordiger van de gemeente Hilversum is het een goed moment rekenschap af te leggen voor historisch onrecht. Publieke spijtbetuigingen passen – ook wereldwijd – in een toenemend bewustzijn bij overheden dat ze niet deden wat ze hadden moeten doen. Het is ook een signaal dat van de overheid gevraagd mag worden het in de toekomst beter te doen.

Elke generatie moet de vraag blijven stellen hoe de Holocaust mogelijk was.
Volgens NIOD-onderzoeker Peter Romijn, auteur van het boek ‘Burgemeesters in oorlogstijd’, is het ontbreken van een gemeenschappelijke tegenstrategie tegenover de nazificatie van politiek en bestuur een van de belangrijkste oorzaken van de meegaande houding van overheden tijdens de oorlog. Er was geen richtsnoer, er was geen common ground.

Op 8 mei 1945 is de dag van de Duitse capitulatie. Die dag werd Europa bevrijd van het systeem van de nationaal-socialistische tiranie. De voormalig Duitse president Richard von Weizsacker hield veertig jaar na de oorlog een indrukwekkende rede. “Wij hebben waarlijk geen reden om op deze dag aan overwinningsfeesten deel te nemen. Maar wij hebben er alle reden toe de achtste mei 1945 te zien als het eind van een dwaalweg in de Duitse geschiedenis.”

Terug naar het dagboekje van mijn moeder. Zij schrijft op 8 mei 1945, een dag na de dood van haar broer: “Bloemetjes uit de tuin voor Ies. Vorige avond hier in kamertje gebracht. Arme jongen. Telkens bezoek. Veel medeleven. Tracht vrienden te bereiken. Toch zo onbegrijpelijk dat dit moest gebeuren. Waarom?”