Eenmaal per maand ziet u hier een
foto met een beschrijving afkomstig uit het Streekarchief Gooi en
Vechtstreek. U kunt daar zelf ook op zoek naar de geschiedenis van
Hilversum. Bent u bijvoorbeeld benieuwd naar uw huis of straat in
vroeger tijden? Breng dan eens een bezoek. Honderden archieven en
collecties liggen op u te wachten. Het Streekarchief Gooi en
Vechtstreek zit in het Stadskantoor, Oude Enghweg 23;
openingstijden ma. 9.00-13.00 uur, di. t/m vr. 9.00-17.00 uur ;
website: www.gooienvechthistorisch.nl
Voor het eerst deze eeuw is Hilversum van burgemeester
gewisseld. Maar liefst dertien jaar was Ernst Bakker de eerste
burger van deze gemeente. Daarmee is hij de op een na langs
zittende burgemeester van Hilversum sinds 1900. Alleen Joost Boot
bezat deze functie langer, tussen 1951 en 1968. De eerste officiële
burgemeester in Hilversum was Barend Andriessen, halverwege de
negentiende eeuw, maar daarvoor waren er ook al mensen hier in een
soortgelijke functie. In Historisch Hilversum deze maand:
burgemeesters uit de vorige eeuwen en de ambtsketting.
Al in de vijftiende eeuw hadden enkele steden in Nederland een
burgemeester, bijvoorbeeld Amsterdam. In Venlo (toen van Hertogdom
Gelre) waren de burgemeesters de beheerders van de kas. In
Hilversum was men er later bij, pas eind van de achttiende eeuw
kwamen er mensen op een functie die we nu kunnen vergelijken met
die van burgemeester.
In het archief van Streekarchief Gooi en Vechtstreek vinden we
stukken uit 1798 en 1803. In de laatste staat een ´request´ van
Wessel van Dam. Hij verzoekt te worden hersteld in de ‘posten van
civiel schout, vendumeester, bode en schutter te Hilversum van
welken hij in den jaare 1795 was ontzet’. De schout is een lokaal
ambtenaar geweest, belast met bestuurlijke en gerechtelijke taken
en het handhaven van de openbare orde. Een soort voorloper van de
burgemeester dus. Andere schouten waren in die tijd J.C. Reuk,
Joannes Cramerm, Nicasius van Veerssen en Jan Jacobs Das.
Maire
In 1811 wordt er gesproken over het aanstellen van een ‘Maire’. In
het archief zit een brief, die afkomstig is van ‘De Requestmeester,
Graaf des Rijks, Lid van het legioen van eer, Prefect van het
Departement der Zuider Zee’. De brief is gericht aan ‘Den President
van het Gemeente – Bestuur, provisioneel waarnemende de functie van
Maire in de Gemeente van Hilversum’. Hierin vraagt de Prefect op 23
maart 1811 om een opgave te doen voor een ‘nominative lijst’ voor
twee personen voor de post van Maire, vier personen voor de post
van adjunct Maire en twintig personen voor de posten van Municipale
Raden. De personen moesten wel aan enkele eisen voldoen: ‘die genen
die in uwe plaats woonachtig zijn, van een zeker gegoedheid
jouisseren (genieten), en die vereischt kennis hebben voor het
belang hunner ingezetenen te zorgen’. Op 17 juli 1811 krijgt
Hilversum dan een Maire: N. van Veersen. De Prefect stuurt daarna
nog een brief, met de kledingvoorschriften voor onze nieuwe Maire.
‘Een donker blaauwen rok en een rooden sjerp met tricolore
franjes’. Ook moet Van Veersen een ‘driekanten hoed’ dragen. in de
brief wordt vriendelijk gevraagd deze kledingstukken aan te
schaffen en melding van dezelfde bestelling te doen bij de
afzender. Dit is een ‘Costuum voor Maire die niet door de Keizer is
benoemd’.
De eerste burgemeester van Hilversum wordt Barend Andriessen. Hij
wordt voorgedragen door de Raad te Haarlem. Dit voordragen gebeurt
in 1831. In 1850 mag er door de Raad van Hilversum twee personen
worden aangewezen bij de staatsraad, Gouverneur van Noord-Holland,
voor de betrekking van burgemeester. Daaraan geeft de Raad gehoor
en vermeldt meteen dat de jaarwedde voor de burgemeester van 600
gulden wat hun betreft verminderd mag worden tot 400 gulden. De
raadsleden hebben daar een goede reden voor. Volgens hen moet de
burgervader minder gaan verdienen omdat door de aanstelling van een
commissaris van politie de taken van de burgemeester aanzienlijk
verminderd zijn.
Lelijke ambtsketting
Al meteen is er ook sprake van een ‘onderscheidings teeken voor den
Burgemeester’. De graveurs van des rijks Munt te Utrecht zegt deze
te kunnen leveren. Zij willen iedere zilveren penning afleveren
tegen betaling van tien gulden, aan de ene zijde gestempeld met het
rijkswapen en met het ingesneden wapen der gemeente aan de
keerzijde, en tegen betaling van zes gulden indien de gemeente geen
wapen heeft.
Op 11 december 1852 bericht de gemeente Hilversum terug dat zij
gaarne gebruik makende van het aanbod en zenden hem daarbij een
‘afteekening van het wapen dezer gemeente zooals hetzelve door den
Hoogen Raad (de Hoge Raad van Adel, red.) is bevestigd als
mede een afdruk van het zegel der gemeente bestemd ter stempeling
van stukken’. En de moderne ambtsketting dan? In een brief van 21
februari 1967 wordt door het hoofd afdeling culturele zaken (G.N.
Zijlstra) geschreven dat hij vernomen heeft dat het College de
levende gedachte had om een nieuwe ambtsketen te doen vervaardigen
en het huidige exemplaar aan de burgemeester bij diens afscheid aan
te bieden. De heer Zijlstra was blij verrast aangezien deze in de
brief de huidige ambtsketen benoemd als ‘hoewel niet uitgesproken
lelijk, toch wel bijster pover mag heten voor een gemeente als
Hilversum is’. Uiteindelijk krijgt Hilversum voor 3450 gulden een
nieuwe ambtsketting. Een ketting die woensdag 6 juli weer van
eigenaar is veranderd.